- wit
- wit1{{/term}}〈het〉1 [kleur] white2 [witte kleren] whites, white goods3 [iets dat wit is] white4 [brood] white (bread)♦voorbeelden:1 gebroken wit • off-whitezuiver wit • pure/true/white-white2 zij trouwde in het wit • she was married in white3 het wit van een ei • the white of an egg〈schaakspel, damspel〉 met wit spelen • play (with) white4 een half wit • half a loaf of white (bread)————————wit2{{/term}}〈bijvoeglijk naamwoord〉1 [niet zwart] white2 [met betrekking tot de gelaatskleur] white, pale3 [verkocht beneden de vastgestelde prijs] cut-price ⇒ noname/bargain brand♦voorbeelden:1 wit hout • whitewood; 〈vurenhout〉 white fir〈medicijnen, geneeskunde〉 witte vloed • 〈afscheiding〉 vaginal discharge; 〈ziekte〉 vaginitiswit maken • whiten, blanch〈figuurlijk〉 zwart geld wit maken/wassen • launder moneyde straat ziet wit van de hagel • the street is white with hail2 hij trok wit weg • he went/turned deathly pale(nog) wit om de neus zien • (still) look green about/the gillshij zag zo wit als een doek/als een lijk/als krijt • he looked/his face was (as) white as chalk/a sheet/a ghost3 witte benzine/sigaretten/grammofoonplaten • cut-price petrol/cigarettes/illegal (record) cuttingseen witte pomp • independent petrol station¶ 〈techniek, technologie〉 witte ruis • white noise〈mythologie〉 witte wijven • ±white witches
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.